Het verhaal van Zadelmakerij Rossinante strekt zich over vier generaties uit.
Beginnen doet het in 1852. Toen werd PETRUS VALYS, de overgrootvader van mijn man, te Gent te vondeling gelegd (het uittreksel uit het vondelingenregister is nog steeds bewaard). Het kind kreeg te Zwevegem Knokke een pleeggezin bij een zekere Moreau, die schoen- en gareelmaker was.
Daar hadden ze toen zeker geen handen tekort, want men was bezig het kanaal van Bossuit te graven, en daar was veel nood aan materialen in leer. Denk maar aan tuigen voor de vele paarden die de miljoenen bakstenen aanbrachten om de souterrain te metselen. Het kanaal was nog niet ingevaren, of daar begon men met de aanleg van de spoorweg Kortrijk-Ronse, die ook te Knokke voorbij kwam.
Opnieuw kwamen daar veel paarden aan te pas, en zo kreeg Petrus de kans om in het atelier van zijn pleegvader de stiel van zadel-, gareel- en tuigmaker stevig onder de knie te krijgen. De spoorwegmaatschappij nam hem aan als overwegbewaker, wees hem het overweghuisje te Knokke aan, en gaf hem de toestemming om daar als zelfstandige garelen voor boeren uit de omgeving te herstellen: dat was het verre begin van Rossinante.
In 1887 huwde hij Marie Volckaert, die te Sint-Baafs-Vijve geboren was, maar met haar ouders in Zwevegem was komen wonen. Met hun gezin verhuisden Petrus en Marie naar de andere kant van de vaart, op grondgebied Moen, beneden aan de Keiberg. Daar breidde Petrus zijn zaak verder uit. Intussen hadden zij vier kinderen gekregen, drie dochters en een zoon, OCTAAF VALYS, geboren in 1892.

Vier jaar lang vocht Octaaf tijdens de Eerste Wereldoorlog in de loopgraven. Slechts één keer in al die tijd had hij naar huis kunnen komen: omdat dat niet doorheen het front kon, moest hij daarvoor via Engeland en vrij Nederland en dan onder de levensgevaarlijke afsluiting met hoogspanning op de grens met bezet België door.
Toen hij na de wapenstilstand weer thuis kwam, vernam hij dat zijn vader Petrus intussen overleden was. Dit was een immens verdriet. Nauwelijks 26 jaar oud, moest hij meteen de zaak van zijn vader overnemen.
Hij huwde Maria Deplae en kreeg drie kinderen: twee dochters, Lea en Laura, moeder van mijn man (rechts op de foto) en nog een zoontje, Pierre, dat zeer jammer maar enkele maanden leefde. Octaaf zelf overleed plotseling en onverwacht aan een ontsteking van een tand. Hij was nauwelijks 55 jaar oud. Een ware schok voor de familie! Wat nu?
Gelukkig was MARCEL GABRIËL, een neefje van Octaaf, daar al twee jaar als gareelmaker in de leer geweest. Nauwelijks 18 jaar oud, moest hij nu voor rekening van weduwe Maria de zadel-, gareel- en tuigmakerij Valys verderzetten. Moest, want eigenlijk droomde hij ervan om beenhouwer te worden. Maar toen in 1947 was hij de enige kans voor het bedrijf om te overleven.
Was het een slimme zet toen hij in 1953 met Laura Valys trouwde? In elk geval bracht hij de zaak naar het stationsplein van Knokke en doopte haar tot GAREELMAKERIJ GABRIËL – VALYS om.
Vijf kinderen krijgen ze: Joost, mijn man JOHAN GABRIEL en tweelingzus Johanna, en verder Mieke en Jan.
In het begin herstelt vader Marcel vooral garelen en dekzeilen voor de boeren met hun tractoren. Maar hij werkte ook voor werkgevers als Bekaert: veiligheidskledij voor de smidse. Of klimgordels voor de elektriciteitscentrale van Zwevegem (EWB, later Intercom, nu Engie Electrabel). Ook zijn vrouw Laura werkte mee.
Van zodra Johan kon kijken, zat hij elke dag bij zijn vader en sloeg de hele bedoening gade: van het leer snijden, over het naaien met elzen en twee naalden, het snijden en hoekschaven, tot het bezegelen. Hij had de smaak van de stiel met de paplepel binnen gekregen…
Vanaf 1960 gaat het werk voor de boer met het trekpaard echter achteruit. Marcel moest vele monden voeden en ging daarom werken bij Bekaert te Zwevegem. Gecombineerd met de gareelmakerij, kwam er niet veel slapen aan te pas.
Aan de andere kant komen in die tijd de landelijke rijverenigingen tot stand, o.a. in Kortrijk, Sint-Denijs en Heestert. Bij hun dressuur- en jumpingwedstrijden moest steeds een gareelmaker aanwezig zijn voor herstelling. Enige tijd later schieten ook de maneges als paddenstoelen uit de grond.
De gareelmakerij ondergaat een ommezwaai en wordt ZADELMAKERIJ.
Daarom zond Marcel zijn fel geïnteresseerde zoon Johan in 1975 voor enkele maanden naar Duitsland op leerstage. Met een heus diploma als "Zadelmaker" op zak kwam hij terug. Proficiat. Vanaf dan was de zadelmakerij Gabriel-Valys de énige in de streek die aanpassingen aan Kieffer zadels kon uitvoeren.
Het eigenlijke ROSSINANTE begon toen ik in 1988 Johan leerde kennen. Dat was tijdens avondlessen boekhouden, die we samen volgden. Op het eindexamen zaten we naast elkaar, ik schreef zijn antwoorden af met als resultaat een 8 voor mij en slechts een 7 voor hem…
Vaak reed ik met de fiets naar mijn werk als verpleegster en vervolgens naar de avondlessen boekhouden, of pedicure, want dat deed en doe ik ook nog graag. Johan stelde voor om mij met de fiets in zijn auto naar huis te brengen. Onderweg vertelde hij over zijn passie als zadelmaker. Hij vroeg of ik geen goesting had om eens naar zijn atelier te komen kijken.
Toen is mijn leven op slag veranderd.
Ik werd verliefd op die zadelmakerij. Ik zag mezelf meteen als vrouw in de mannelijke genderidentiteit van zadelmaker. Handen die dagelijks duizenden bewerkingen uitvoeren, met vingers die vorm geven aan producten die tijdens het trage maakproces de tijd krijgen om zich te nestelen in de gedachten van de ambachtsvrouw. Doen en denken, maken en ontwerpen, gaan zó hand in hand. Ik was verkocht.
We trouwden in maart 1991 en onze eigen zaak kreeg vorm in het pand naast Johans ouderlijk huis, een voormalig café. We noemden haar Rossinante, naar het paard van Don Quichotte uit het 16de-eeuwse boek van Cervantes. Met mezelf in de rol van de ietwat dwaze en fantasierijke hoofdfiguur, en Johan als de eenvoudige, nuchtere Sancho Panza.
Het werd letterlijk een zoektocht naar gelijkwaardigheid in onze relatie. Maar ik zette door als een échte Don Quichotte, en kreeg de windmolens klein. Het hooglied van de liefde zou onze overwinning zijn.
Op vandaag concentreren wij ons op het zadel- en tuigmaken, onze corebusiness. Gedreven door onze familiale traditie én onze passie voor ruiter en paard, stellen wij onze eeuwenoude ervaring en vernieuwende deskundigheid in de leerbewerking ten dienste van ruitersportwinkels en hun klanten.
Dat doen wij door het materiaal van onze klanten zo naadloos mogelijk af te stemmen op hun verlangens en op de behoeften van hun paarden. Of het nu om zadels, tuigen, hoofdstellen gaat, of om het herstellen of aanpassen ervan, maatwerk is in alle omstandigheden onze troef.
Onze paardenaccessoires zijn ontworpen om niet alleen functioneel te zijn, maar ook om de relatie tussen jou en je paard te versterken.